Frederik van Eeden
3 april 1860 - 16 juni 1932

     Een leven in woord en beeld    

 

Walden

 

Walden was de naam van een kolonie, ofwel commune, die de psychiater en schrijver Frederik van Eeden (1860–1932) in 1898 op het landgoed Cruysbergen in Bussum oprichtte.

Deze socialistische (tuinbouw) kolonie was onder meer gebaseerd op gemeenschappelijk grondbezit. De kolonie deed ook dienst als rustoord voor psychiatrische patiënten. De opzet mislukte door zakelijk wanbeheer. Na eerst nog te zijn veranderd in een verbruikscoöperatie ging Walden in 1907 toch failliet. Het idee voor Walden ontleende Van Eeden aan het populaire boek Walden or Life in the Woods (1854) van Henry David Thoreau (1817-1862).

Bron: Wikipedia

 

Walden - Plattegrond

 

Op deze pagina kunt u teksten vinden die over Walden gepubliceerd zijn, geillustreerd met een aantal foto's en tekeningen. Voor zover mogelijk doe ik steeds aan bronvermelding. Mocht een bronvermelding foutief zijn, of ontbreken, stuur me dan een mailtje via de mailbutton.
Verder zal ik ook enkele citaten - over Walden uit de dagboeken van Frederik van Eeden - plaatsen en linken naar websites waar nog meer informatie te vinden is.

 
 

Het begin.

 

Fragment uit een brief van Frederik van Eeden aan Henri Borel (1869-1933), Bussum, d.d. 28 februari 1898.

 

 

Als je me belooft te zwijgen, dan zal ik je vertellen wat er hier broeit. Ik heb al lang mijn huis te groot gevonden en mijn leven te verkwistend. Ik verteer meer dan 6000 'sjaars en ik weet niet waaraan. Dat opeten van wat anderen zoo moeitevol voortbrengen, gaat mij verdrieten. Nu ga ik een stukje grond koopen, daarop een klein huis zetten, mijn huishouden bezuinigen en van mijn grond zien te halen wat er door overleg en werk van te halen is.

Dan zal ik geld overhouden, en daarvan wil ik laten leven wie hetzelfde leven met mij wil deelen, maar die er nu niet toe in staat is omdat hij zich niet vrij kan koopen van de maatschappij.

Ik heb nu al een complot van vier jonge mannen, allen met veel talent, twee getrouwd, die dolgraag bereid zijn met mij samen te werken. Een sober buitenleven, handen-arbeid en studie. Geen geldmakerij meer, de band met het kapitaal zoo klein mogelijk, de eigen voortbrenging zoo groot mogelijk. Ik zal trachten de grond machtig te worden. Vrij, zonder hypotheek of schulden natuurlijk. We beginnen met de eenvoudigste woningen en langsaam aan.

Eerst ik, dan komen Labberton en van Oordt, dan Steenhof en van Meurs hoop ik, al naar ik geld overhoud om huizen voor hen te zetten en hun voorloopige inrichting te betalen, voor zoover ze dat zelf niet kunnen. We zijn dan met ons vijven mannen en een handige knecht die alle soort werk kan, een schrandere jongen die ik ook tevens hoop te ontwikkelen en te beschaven. Ik ben er zeker van dat als we zuinig leven en vlijtig zijn, en het werk practisch verdeelen (tuinbouw, aardappel en graanbouw, kippen en bijen, later misschien een paar geiten, schapen of koeien) dat we dan van diezelfde 6000 die ik nu alleen noodig heb met ons allen best toekunnen. Alle lui van 't complot (het syndicaat zeggen we ook wel) zijn gewend aan veld-arbeid. Labberton werkt nu al vier maanden op 't land en maakt sonnetten terwijl hij mest kruit, en ze zijn handig en redsaam, geneigd om hun eigen eten te koken en hun huisje in orde te houden.

 

 

 

STATUTEN DER Vereeniging ‘Walden’, werkende groep der vereeniging ‘Gemeenschappelijk Grondbezit’, te BUSSUM.

 

 

Art. 1. De Vereeniging ‘Walden’ heeft ten doel grond te brengen in gemeenschappelijk bezit en gebruik, waarbij door rechtvaardige organisatie van de gemeenschap die hem bewoont en bewerkt, de bestaande maatschappelijke bevoorrechting vermeden en de individuëele vrijheid gewaarborgd wordt.

Art. 2. Zij tracht dit doel te bereiken:

1o. door propaganda voor het beginsel;

2o. door gemeenschappelijken arbeid in de volgende bedrijven: warmoezierderij, bakkerij, hoenderteelt, bijenteelt, en welke verder in aanmerking mochten komen.

Art. 3. De vereeniging is gevestigd te Bussum en opgericht voor den tijd van 27 jaar en 6 maanden, beginnende 20 April 1903.

Art. 4. Tot leden kunnen toetreden zij, die hunne instemming betuigen met het doel der vereeniging ‘Gemeenschappelijk grondbezit’ en, na zich schriftelijk te hebben aangemeld bij het bestuur en minstens een half jaar aan den gemeenschappelijken arbeid te hebben deelgenomen, door net bestuur, na besluit eener algemeene Vergadering, tot lid worden aangenomen.

Art. 5. Het lidmaatschap wordt verloren: a. door overlijden; b. door opzegging; c. door vervallenverklaring.

De opzegging moet schriftelijk aan het bestuur geschieden. De vervallenverklaring kan worden uitgesproken, indien een lid toont, door zijn daden, in strijd te handelen met het doel der vereeniging. De vervallenverklaring wordt door de algemeene vergadering uitgesproken, op voorstel van een der leden.

Art. 6. Hij die het lidmaatschap heeft verloren, is gehouden binnen 14 dagen het terrein der Vereeniging metterwoon te verlaten.

 

Bron:  F. van Eeden De vrije arbeid op ‘Walden’. Amsterdam; 1905

.

Een van de eerste kolonisten van Van Eedens kolonie, Walden, was Willem Bauer, architect, anarchist en dromer. W.C. Bauer ( 1862 - 1904 ) was een broer van Marius Bauer, schilder en etser. Hij maakte bouwtekeningen voor oa de hutten.

 

Schets hut Willem Bauer

ontwerp huisje Truida Everts

Schets hut Willem Bauer

Het leven op Walden


Aanvankelijk werd Walden, de leefgemeenschap van Van Eeden, of 'kolonie' zoals dat toen genoemd werd, vooral bevolkt door artistiek ingestelde jongeren uit de meer welgestelde klassen, die droomden van een idyllisch herderlijk bestaan op het platteland. Ook woonden er neurotische patiënten die bij de psychiater Van Eeden een arbeidstherapie volgden. Later kwamen er meer arbeiders naar Walden die zelfstandig, dat wil zeggen zonder door bazen op hun vingers gekeken of door opzichters gecommandeerd te worden, hun levensonderhoud wilden verdienen. Deze verschuiving hing voor een deel samen met de ontwikkeling van Van Eedens denkbeelden over binnenlandse kolonisatie. Hij begon met Walden om voor zichzelf en een paar anderen de gelegenheid te scheppen een beter leven te leiden. Dit beperkte doel bevredigde Van Eeden echter al snel niet meer. Walden mocht geen geïsoleerde vrijplaats blijven voor de happy few, maar moest een sociaal-economische omwenteling op gang brengen die heilzaam was voor iedereen.

Na een aanloopperiode van twee jaar waarin bewoners zowel als reglementen elkaar snel opvolgden werd Walden in 1901 een collectieve coöperatie, dat wil zeggen een woon- en werkgemeenschap die uitging van de leefregel: 'geven naar krachten en nemen naar behoefte'. In 1903 gaven de bewoners deze organisatievorm echter weer op en werd Walden tot het faillissement in 1907 een vereniging van productieve associaties. Hieronder verstond men de wisselende groep bedrijfjes die op Walden gevestigd waren, plus de bewoners van de zogenoemde hutten die op het landgoed gebouwd waren. Walden telde een bakkersgroep met bezorgers, suiker- en chocoladebewerkers; tuinbouwers die hun waren in de omringende villawijken en in de stad uitventten; een timmermanswerkplaats; en een pension in het 'groote huis', de villa die op het landgoed stond. Iedere groep bepaalde onderling wie werd toegelaten als aspirant-kolonist en regelde beleidskwesties die deze specifieke groep aangingen onderling, bijvoorbeeld of nachtarbeid gewenst was. De vereniging had een boekhouder in dienst die ook de financiële administratie van de groepen voerde. Van Eeden was voor de buitenwereld het gezicht van Walden maar hij stond eigenlijk min of meer buiten het werkverband. Hij droeg niet veel bij aan de productie en zonderde zich graag af om te schrijven en studeren. Hij was op Walden niet geliefd en hij kreeg te maken met veel tegenwerking. De zaak werd op de spits gedreven in 1906 toen de algemene vergadering Van Eeden ontsloeg als lid, officieel omdat hij niet deelnam aan de productie, in werkelijkheid omdat vooral de goeddraaiende bakkersgroep zijn inmenging wilde voorkomen. Zij vreesden hun winsten met de verlies lijdende tuingroep te moeten delen. De bakkersgroep verliet de coöperatie en pogingen om nieuwe mensen aan te trekken mislukten. Door dit conflict was Van Eeden genoodzaakt het project Walden in 1907 te beëindigen.

(Bron: M. Mooijweer - De Amerikaanse droom van Frederik van Eeden. De Bataafsche leeuw, Amsterdam. 1996.)

 

Walden - De bakkerij

Walden - Bakkersgroep

.

Bakkerij Walden - reklame

Bakkerij Walden - Koektrommel

.

Via email ontvangen van Mevr. Wendy Broer-van der Hak:  
Mijn grootvader, Nathan Heiman van der Hak (Sappemeer 16-1-1885 /Auschwitz 29-10-1942) werkte van half juni 1914 tot 27 februari 1915 als bakker bij Walden.
Wij hebben nog een envelop van een brief die naar hem gestuurd is, waarvan het sluitzegel nog intact is. Bij deze een afbeelding daarvan.

Tuindersgroep

Schoven binden

Frederik van Eeden & Walden

 

Frederik van Eeden, arts en literator, woonde vanaf 1886 in Bussum. Hij kocht het landgoed Cruysbergen met villa, moestuin, boomgaard, bos en weidegrond en noemde zijn kolonie Walden, naar Thoreau’s Walden or the Life in the Woods dat hij net had gelezen. Het werd het eerste belangrijke Nederlandse experiment in socialistisch produceren en samenleven.

De kolonie kende allerlei bedrijfjes: een bakkerij, suiker- en chocoladewerken, een timmerwerkplaats, een smederij, bijenkassen en een pension. De tuinderij lag in de Horstermeer (Nederhorst den Berg) op het bedrijf De Nieuwe Harmonie. Van Eeden streefde naar behoorlijke kwaliteit, maar dat lukte niet altijd. In een Liber Amicorum (1930) citeerde Alida Zevenboom haar befaamde conversatie met Van Eeden: ‘Frederik, mevrouw vindt je peentjes lang niet vers en (-) dat uw Waldense peultjes, zelfs met een flinke kluit boter, niet gaar waren te krijgen, dat zal ik u nooit vergeven.’

Aanvankelijk ging het financieel overigens vrij goed, dank zij de zakelijke instelling van Van Eeden. Maar de mens bleek niet zomaar te vernieuwen. Er waren nogal wat kolonisten die weer braken met Walden. Niet elke kolonist was ook even ijverig. Het ideaal van Van Eeden was ‘Geven naar kracht en nemen naar behoefte’. Maar de kolonisten zeiden al gauw: ‘Waar Allen Luieren, Daar Eet Niemand’. De afdelingen maakten ook ruzie onder elkaar. De belangrijkste productie-eenheid, de bakkerij, wilde niet opdraaien voor de verliezen van andere eenheden. In 1907 vertrokken de bakkers, met alle gereedschap. Dat betekende het einde van de kolonie. Van Eeden bekende in De Gids: ‘de mogelijkheid eener anti-parasitaire bedrijfsorganisatie “van onderop” acht ik na mijn ervaringen ten eenen male buitengesloten.’

 

‘De Lelie’ aan de Nieuwe 's Gravelandscheweg, op grond van Walden door Willem Bauer voor Van Eeden gebouwd

Van Eeden met Martha, Hans (zittend) en Paul voor de open haard in ‘De Lelie’

. .

De oorspronkelijke hut van Van Eeden, zoals deze stond in de tuin van ‘De Lelie’

De hut van Van Eeden - 1900

. .

In terieur van de hut

Hier werd geschreven

Naar aanleiding van 100 jaar Walden, in 1998, vond ik onderstaand artikel in de Volkskrant

Een dromer van dromen

 

PETER BRUSSE op 02 juni '98, bijgewerkt 16 januari '09

Bron: De Volkskrant – 02 juni 1998

 

 

Honderd jaar geleden stichtte psychiater-dichter-boer Frederik van Eeden zijn landbouwkolonie Walden. Hij deed dat op een zeer foute plek, tussen sjieke Bussumse villa's, op kale zandgrond, ongeschikt voor gewas. Het project mislukte deerlijk, kostte de initiatiefnemer twee ton, maar de nostalgie bleef.  

 

 

'IS HIJ EEN zot, een door het leven verbijsterde? Of is er althans iets in hem van een wijze, de wereldoverwinnaar en verbeteraar waarvoor hij zich uitgeeft? Hij is eerbiedwaardig en belachelijk, sympathiek en terugstotend tegelijk. Bekrompen despotisch, maar ook weer schuw en weifelend.'

 

Is dit een ware typering van Frederik van Eeden, de psychiater, dichter en boer, die precies honderd jaar geleden in het 'beschaafde Bussum' op kale zandgrond tussen villa's en de renbaan zijn coöperatieve landbouwkolonie Walden opzette? Niemand die het ooit zal weten. Maar zo omschreef Nico van Suchtelen, die in een hut op Walden woonde en met ruzie vertrok, in zijn satirische roman Quia Absurdum (1906) de leider van een ietwat absurde gemeenschap van idealisten die sprekend op Walden leek. Jan Fontijn, die zo'n prachtige biografie van Van Eeden heeft geschreven, herkent de omschrijving van de gespleten persoonlijkheid die zowel een deemoedige Christus als een Nietzscheaanse Übermensch wilde zijn.

 

Als zenuwarts bekwaamde Frederik van Eeden (1860-1932) zich in hypnose, hechtte grote waarde aan dromen, ontdekte Freud en wilde niet alleen zielszieke mensen (vooral jongedames) genezen, maar ook de verziekte maatschappij zelf. Hij verdiepte zich in Marx, maar verwierp de revolutie. Hij wilde bij de mens zelf beginnen. Hij pleitte voor 'rijkshoeven', door de overheid opgezette boerderijen waar ieder die wilde werken zijn eigen brood kon verdienen. Hij bezocht werkkolonies voor armlastige gezinnen, zwervers en daklozen en kreeg van Jac. P. Thijsse, de grote natuurliefhebber, het boek Walden waarin de Amerikaan Henry Thoreau beschreef hoe hij aan het meer Walden in Massachusetts als een Robinson Crusoë terugkeerde naar de natuur.

 

Ook Van Eeden droomde van 'een blokhuisje met stroo gedekt. Ik wil daar weinig hebben, maar alles zuiver, noodig en fraai', schreef hij in zijn dagboek. Zijn moeder vroeg hij een manchester pak voor hem te laten maken, maar 'graag soepeler dan het staaltje dat ik mee stuur'.

 

Voor veel te veel geld, dat hij leende van een vriendin, kocht hij van een 'dankbare' patiënt het landgoed Cruysbergen met zes hectare grond aan de rand van Bussum. Het was volledig ongeschikt voor het verbouwen van graan, groente en fruit. Van Eedens vrouw Martha voelde niets voor het avontuur en op 13 mei 1898 schreef hij in zijn dagboek: 'Begin van het werk op Walden. Ieder, behalve ikzelf, is vol bezwaren. Ieder zegt: Wat heb je gedaan en wat ga je beginnen?'

 

Als compromis liet hij op de grens van zijn kolonie aan de Nieuwe 's Gravelandseweg - nu een van de mooiste en duurste lanen van het land - voor zijn gezin de villa De Lelie bouwen en voor hemzelf in de tuin een houten hut die half moest worden ingegraven. De Lelie en de hut werden ontworpen door Van Eedens vriend Willem Bauer, een jong gestorven architect die leed aan syfilis en depressies. De villa, waar jarenlang sprankelende voordrachten en concerten werden gegeven, heeft nu een norse bewoner die Van Eedenliefhebbers met een groot hek en een vervaarlijke hond op afstand houdt.

 

Op 5 augustus 1898 betrok Van Eeden zijn hut en schreef: 'Het beantwoordt alles hier aan mijn bedoelingen. Ik leef hier rustig en eenvoudig en voel mij dagelijks gezonder en vrediger. Geen slechtheid meer in me. Ik schrijf nu aan mijn roman v. Koele Meren des Doods. En een verzoekschrift aan de koningin dat ze geheelonthoudster moet worden. Min of meer ironisch.'

 

De kolonisten die hun eigen hut of huisjes bouwden of lieten bouwen (ongehuwden kregen onderdak in de grote villa Cruysbergen) moesten voor eigen voedsel zorgen. De grond was gemeenschappelijk, maar de individuele vrijheid was gewaarborgd. Je hoefde geen vegetariër te zijn. Regels waren er, althans in het begin, niet en Van Eeden koos zijn eigen kolonisten, die hij later zou omschrijven als: 'Een arme schilder met een groot gezin, die goedkoop wou leven om te schilderen; een paar jonge dichters, die voor een boshutje voelden; overwerkten en zenuwlijders, die buitenlucht nodig hadden, een echt 'mislukt genie' met veel welsprekendheid, verheven gedachten, schulden en weinig werkkracht; arme boerenknechts die de eenvoud hier al rijkdom vonden, schoften die op andermans kosten dachten te komen luieren; en - 't ergst van alles - sociale fanatici met principes waarvoor zij bereid waren anderen op te offeren.'

 

Toch beleefde Van Eeden op Walden intense vreugde. Hij schreef veel. Kinderlijk ontroerend zijn dagboeknotities als: 'De grote akker omgeploegd. 1 mud rogge gezaaid.' 'Eikenhakhout gerooid, over ongeveer 1/6 H.A.' Toen hij op de markt in Utrecht een paard ging kopen, kon hij van opwinding die nacht niet slapen.

 

In het hele land hield hij voor notabelen en arbeiders geruchtmakende toespraken, die in kranten en tijdschriften tot felle discussies leidden. Herman Heijermans noemde Van Eeden 'een ongevaarlijke charlatan, een armzalig keuteltje. Wie hem ernstig neemt stelt het arbeidende volk gelijk met hysterische Bussumse juffrouwen.'

 

Frederik van Eeden, de beroemde schrijver van De Kleine Johannes, hield dapper vol. Hij wilde zijn 'schipbreukelingen van de maatschappij' inspireren, maar moest helaas vragen 's avonds op een schoolbord te schrijven hoeveel uur men had gewerkt. De nietsnutten vulden maar wat in. Walden werd een afkorting voor: Waar Allen Luieren Daar Eet Niemand. Tot overmaat van ramp heette de sloot die langs Walden liep 'Het Luye Gat', zoals Jos de Ley en Bernt Luger in Walden in droom en daad opmerkten.

 

In 1902 schreef Van Eeden bedroefd dat nieuwelingen 'even wreed werden behandeld als bij de kippen en de bijen'. Er waren toen een veertigtal kolonisten, van wie bijna de helft kinderen.

'De holbewoners', zoals zij werden genoemd, trokken veel bekijks. Nescio schreef in zijn Titaantjes: 'In de kolonie van Van Eeden hadden we misschien kunnen gaan, maar toen we op een zondag er heen waren gelopen, vier uur gaans, toen liep daar een heer in een boerenkiel op dure gele schoenen, kolombijntjes te eten uit een papieren zak, blootshoofd, in innige aanraking met de natuur, zoals dat toen genoemd werd, en z'n baard vol kruimels. We dorsten niet verder en liepen maar weer naar Amsterdam terug.'

 

Bij de grote Spoorwegstaking van 1903 was Van Eeden hartstochtelijk actief, hield inzamelingen en een groepje ontslagen arbeiders kwam naar Walden. Hij werd hoofdredacteur van De Pionier, het weekblad van de verenigde kolonisten en een zetter schreef ongestraft onder een vlammend betoog van Van Eeden: 'Wat doet hij zelf aan practisch socialisme?'

 

'Ja, dat was een probleem', zegt Aukje de Graaf, schrijfster van de pas verschenen literaire gids 100 jaar Walden, die mij rondleidt door het Verloren Paradijs. 'Veel kolonisten waren kwaad dat hij zo vaak op vakantie naar het buitenland ging en logeerde bij rijke vrienden. Hij verfoeide de luxe in zijn brieven, maar genoot er ook van.'

 

Aukje de Graaf brengt mij naar de prachtig verzakte hut van de dochter van een van Van Eedens 'platonische geliefden'. De hut ligt bijna ondergronds achter in de tuin van een villa die ook in de Waldenjaren is gebouwd. De villabewoonster verdrijft mijn mooie gevoelens: 'Verheven gedachten? Niets daarvan, liederlijk leven.'

 

Wij vervolgen de pelgrimage en vinden achter een groothandel voor de horeca het lieflijke huisje van Truida Everts, Van Eedens geheime minnares met wie hij in 1907 - hetzelfde jaar dat Walden ten onder ging - trouwde. 'Truida', vertelt Aukje de Graaf, 'hoefde niet te werken. Dat bracht spanning en jaloezie.'

 

Van Eeden liet zijn eigen hut van de Lelie, waar zijn eerste vrouw Martha bleef wonen, overbrengen naar het huisje van Truida aan de andere kant van de kolonie. De hut is er nog steeds en krijgt regelmatig bezoekers. 'Er kwam een man uit België die dacht dat hij de reïncarnatie van Van Eeden was. Helaas kon ik hem geen zekerheid geven', zegt de huidige bewoner van Truida's huisje die de hut met Van Eedens schrijftafel heeft opgeknapt. 'Ik denk dat de nieuwe aandacht te maken heeft met Van Eedens fin de siècle-gevoel.'

 

Gooise kunstenaars hebben zich verdiept in Van Eedens 'edele arbeid, zuivere ziel' en organiseren tussen de bomen in het voormalige Walden een tentoonstelling van mysterieuze kijkdozen met Verborgen Gedachten. En ze ontwierpen papieren broodzakken voor het 'Waldenbrood', het enige natuurproduct waar geld mee werd verdiend. De bakkers van Walden bakten - in strijd met de idealen - witbrood en weigerden de verdiensten in de bodemloze Waldenput te stoppen. Er volgde opstand en in 1906 verlieten zij Walden. Een jaar later was Walden failliet met een schuld van twee ton, die Van Eeden gewetensgetrouw tot de laatste cent afbetaalde. Diep teleurgesteld vertrok hij naar Amerika en zei na een audiëntie bij president Roosevelt: 'I am not the man to bring it about. I am only a dreamer of dreams.'

 

Enkele hutten/bewoners op Walden

Labberton: J.H. Labberton (1877-1955). Destijds student in de rechten; schrijver en journalist (ps. Theo van Ameide). Behoorde tot de medeoprichters van Walden, maar is reeds in juli 1898 met ruzie vertrokken. Verbleef in 1902 enige maanden in de kolonie te Lunteren, waarvandaan hij ook na onenigheid wegging. Later werd hij hoogleraar in Gent (1915-1918) en daarna referendaris bij de gemeentesecretarie in Den Haag.

 

de Van Hoogstratens: E.M. (Betsy) van Hoogstraten-van Hoytema (1849-1939). Zij trouwde in 1871 en kreeg vier kinderen. Met Van Eeden had zij van 1889-1899 een min of meer platonische liefdesverhouding; hij schreef voor en over haar Ellen, Lioba en grote stukken van Van de koele meren des doods. Van hun omvangrijke briefwisseling gaf zij in 1907 Fragmenten uit en vernietigde de rest. Zij liet tegenover Walden het huis ‘De Maerle’ bouwen (ontworpen door Willem Bauer) en woonde er van april 1899 tot ongeveer juli 1901.

Haar dochters Carry (1876-1956) en Mary (1877-1963) waren beiden kolonisten op Walden. Carry trouwde met Nico van Suchtelen (1903) en Mary met de architect Rudolf Mauve.

 

Willem Bauer: Wilhelm Cornelis Bauer (1862-1904). Architect; ontwierp aanvankelijk zeer onconventionele bouwwerken voor prijsvragen, echter zonder succes. Hij en zijn broer, de schilder en graficus Marius Bauer, waren reeds geruime tijd bevriend met Van Eeden. Willem behoorde tot de medeoprichters van Walden en bouwde de eerste hutten op het terrein, alsmede het huis ‘De Lelie’ voor de familie Van Eeden en het huisje van Truida Everts. Hij leed aan syfilitische verlammingen en depressies, was patiënt van Van Eeden. Bleef vaak lange tijd weg, was waarschijnlijk kolonist tot 1903; pleegde zelfmoord in 1904.

 

Van Oordt: Adriaan van Oordt (1865-1910). Een der medeoprichters van Walden. Aanvankelijk commies bij de P.T.T. en na zijn kolonietijd schrijver van historische romans, waarvan de eerste, Irmenlo (1896), met een inleiding van Van Eeden verscheen. In 1901 heeft hij zijn vriendschap met de laatste verbroken. Hij woonde al die tijd op eigen grond in een hut tegenover Ō-Walden

 

Van Meurs: W. van Meurs. Medeoprichter van Walden. Werd later kunsthandelaar en was de uitvinder van een nieuwe reproduktietechniek, de isografie.

 

Steenhoff: W.J. Steenhoff (1863-1932). Medeoprichter van Walden. Woonde en werkte o.a. in Utrecht, Amsterdam en Brussel. Schilderde, aquarelleerde, tekende, lithografeerde en etste vooral landschappen en stadsgezichten. Tevens kunstcriticus.

 

Dop: G.J. Dop. Eigenaar van de villa en de grond waar de kolonie ‘Walden’ gevestigd zou worden, aan de zuidrand van de gemeente Bussum (zie bijlage I). Voormalig patiënt van Van Eeden, die hem genas van een ziekte die hem het lopen bemoeilijkte.

Bertha Zimmerman: (1870-1905). Voormalig patiënte van Van Eeden, die ook zou deelnemen in het project Walden. Zij leidde op voor haar gebruikelijke - wanordelijke - wijze een tehuis voor verwaarloosde kinderen te Laren.

 

Langelaar: Jan Langelaar (1864-1947). Kolonist op Walden; landbouwer, verzorgde ook het vee. Hij was getrouwd, had vijf kinderen en bewoonde een apart huisje op Walden, in de westhoek

Broekman: H. Broekman, effectenmakelaar, woonde op het aangrenzende landgoed ‘Klein-Cruysbergen’, dat gekocht werd door Van Eedens moeder. Hij bezat een stuk grond op Walden, waardoor nogal wat ruzie is ontstaan.

 

Jan de Graaf: (geb. 1872). Tuinman-kolonist op Walden.

 

Willem van Riet: Willem Frederik van Riet (geb. 1875). Een der eerste kolonisten op Walden. Getrouwd, twee zoontjes. Hij was de broer van Van Eedens vroegere huisknecht in diens Amsterdamse praktijk. Hij kon smeden, timmeren, tuinieren en voorts allerlei voorkomende werkzaamheden verrichten. Daarom nam Van Eeden hem maart 1898 als knecht op Walden in dienst.

Hij bleef echter geen ‘bediende’ en kreeg in 1900 een eigen huisje, betaald met geleend geld van mevrouw Van Eeden-van Warmelo.

 

de Ipenburg's: H.A.J. Ipenburg (geb. 1864), handelsreiziger, met vrouw en zeven kinderen. Hij zou aanvankelijk als administrateur fungeren, ging echter brood bakken. Op 2 maart schreef Van Eeden over hem in zijn Dagboek: ‘Ik ben blij dat Ipenburg een man is die geloof ik deugt voor wat ik bedoel. Ik geloof dat dit een gelukkige tref is geweest.’ Later bleek dit niet zo te zijn; Ipenburg was geen goede medewerker en moest reeds spoedig van Walden vertrekken.

 

De Veer: J.H. de Veer (geb. 1860). Kolonist op Walden; jurist; dichter van Braga op Walden (1902) waarin gedichten over de ‘luilakken’ en ‘halve garen’ op Walden en andere kolonies, en spotverzen op Frederik van Eeden en zijn familie. In deze bundel staat tevens een gedicht gebaseerd op het bekende anagrammatische kreeftdicht: Waar Allen Luieren Daar Eet Niemand/Nochtans Eet Die Luitert Als Wij.

 

Van den Broek: Jan A. van den Broek. Zoon van C.J.H. van den Broek met wie Van Eeden discussieerde over de Rijkshoeven. Dienstweigeraar. Bezat in 1902 een kwekerij in Ouddorp. Hij was in 1904 een korte tijd kolonist op Walden.

 

Ada van Heyningen: (geb. 1868). Patiënte uit Zuid-Afrika. Ze logeerde voor 1899 regelmatig bij Van Eeden en woonde eerst in een hut, later in het huisje ‘De Kaap’ op Walden. Ze trouwde met de kolonist P. van Braam en keerde later, na zeer veel ruzie met Van Eeden, naar Zuid-Afrika terug.

 

Jannetje: Jannetje Meyler (geb. 1876). De a.s. vrouw van Willem van Riet. Zij zou voor de kolonisten gaan koken.

 

Van Suchtelen: Nico van Suchtelen (1878-1949). Schrijver en dichter; studeerde wis- en natuurkunde, rechten en filosofie; gepromoveerd in de staatswetenschappen. In 1902 getrouwd met Carry van Hoogstraten. Directeur van de Wereld-Bibliotheek; eerste voorzitter en later ere-voorzitter van het Frederik van Eeden-Genootschap. Was van juli 1899 tot september 1900 op Walden; de gedichten die hij in die tijd maakte, verraden invloed van Van Eeden. Hij heeft altijd ontkend dat zijn roman Quia Absurdum (1906) een beschrijving van Walden en haar bewoners zou zijn.

 

Van der Woude: Dirk van der Woude (1880-1899). Op 15 augustus noteerde Van Eeden in zijn Dagboek: ‘Van der Woude bevalt mij’. (Over zijn zelfmoord enkele maanden later, zie 18.XII.1899).

 

Aaltje Bakker: Aaltje Bakker-Gerlings (geb. 1865). Weduwe met drie kinderen. Zij verzorgde de huishouding op Cruysbergen. Bezat lange tijd geen eigen huisje en woonde met haar kinderen op één kamer in het hoofdgebouw. Zij verbleef tot 1907 op Walden en emigreerde in 1911 naar de V.S.

 

Truida Everts: Geertruida Woutrina Everts (1873-1952). Zangeres. In maart 1901 begon Van Eeden een verhouding met haar; in 1907 scheidde hij van Martha en trouwde met Truida.

 

Mevrouw De Koe: A. De Koe-Thieme. Patiënte van Van Eeden. A. de Koe, die N.H. predikant te Nieuwveen en Den Helder was. In 1901 ging hij naar de christen-anarchistische kolonie te Blaricum en begin 1902 kwam hij met zijn gezin op Walden

 

Bron: Waldendagboek

 

De hut van Nico van Suchtelen. Foto ca. 1900

Walden - Nico van Suchtelen

.
De hut van Bauer

De hut vanAdriaan van Oordt

.

Waarschijnlijk de hut van Carry van Hoogstraten, gebouwd ca. 1898. De hut bestaat nog steeds

Hut Carry na opknapbeurt

Carry van Hoogstraten was de dochter van Betsy en huwde in 1903 met Nico van Suchtelen.

.

Frederik en Truida, voor haar huisje

E.M. (= Betsy) Hoogstraten-van Hoytema

Pioniers van de polder: Frederik van Eeden

 

Een van de bekendere bewoners van de polder is Frederik Willem van Eeden, Haarlem 3 april 1860 - Bussum 16 juni 1932.

Hij was de zoon van de plantkundige Frederik Willem van Eeden en groeide op in een milieu waarin kunst en wetenschap een belangrijke rol speelden. In 1878 gaat hij medicijnen studeren in Amsterdam. In 1886 promoveert Van Eeden en vestigt zich te Bussum als huisarts, maar hij specialiseert zich al snel geheel in de psychotherapie. Van Eeden kocht eind 1902 een stuk grond van 20 hectare in de Horstermeerpolder. Op deze plek wilde Van Eeden een dependance van Walden stichten. Walden was de naam van een kolonie, of wel commune, die door hem in 1898 op het landgoed Cruysbergen in Bussum opgericht was. Deze socialistische (tuinbouw) kolonie was onder meer gebaseerd op gemeenschappelijk grondbezit. De kolonie deed ook dienst als rustoord voor psychiatrische patiënten. Voor het terrein in de  Horstermeerpolder moest hij ƒ 1.400,- betalen, wat hij van zijn moeder leende. Uiteindelijk kostte de hele onderneming hem ruim ƒ 8.000,-. Maar Van Eeden was optimistisch gestemd en hoopte dat de groenten op de goede bouwgrond beter zouden groeien dan in Walden, waar de grond veel te droog en dor was. In datzelfde jaar begon Nanne de Boer, een Friese tuinder die tot dan toe op Walden had gewoond, enthousiast op dit terrein te verbouwen. De Boer had onvrede met de manier waarop Van Eeden de zaken op Walden regelde en hoopte het beter te doen. Hij wilde bijvoorbeeld liever geen idealistische bewoners, die enkel voor ruzie zorgden, maar juist vaklieden en arbeiders. Nieuw Harmonie kreeg zijn naam van de Amerikaanse kolonie New Harmony, in 1825 opgericht door Robert Owen. Aan de overkant startte in 1904 een vroegere vriend van De Boer een melkveebedrijf. De natuur was deze Bierma goed gezind en al snel ging het hem economisch veel beter dan De Boer, die door muizen en natte zomers werd geplaagd. Van Eeden stelde voor om de twee bedrijven samen te voegen, maar Bierma zag daar niets in. Uiteindelijk vertrok De Boer naar elders in de polder om een eigen zaak te beginnen. Toen Walden in 1907 in grote financiële problemen kwam en failliet ging, kocht De Boer de boerderij in de Horstermeer terug. Alhoewel Walden en Nieuw Harmonie zakelijk gezien geen van beiden een succes zijn geworden voor van Eeden zijn beide projecten voor de ontwikkeling van het socialisme in Nederland wel van belang.

 

Bron: Horstermeerpolder 125 jaar

.

Friese pioniers S. Andela en J. Andela-Rijpma.

Nanne de Boer

Friese kolonisten in de Horstermeer.

 

Deze pioniers waren daar terechtgekomen via de schrijver-arts Frederik van Eeden, die in 1898 in Bussum de kolonie Walden stichtte, een coöperatieve woon- en werkgemeenschap. Een jaar later ontstond de christen-anarchistische kolonie van de Internationale Broederschap in Blaricum, die gebaseerd was op een communisme dat uitging van de Bergrede van Jezus. In 1901 gaf Van Eeden de aanzet tot het oprichten van de 'Vereniging Gemeenschappelijk Grondbezit'. Deze vereniging had tot doel bestaande kolonies te verenigen en de vorming van nieuwe kolonies en coöperatieve bedrijven te bevorderen. Bij die oprichtingsvergadering op Walden waren Friese landarbeiders aanwezig, revolutionaire aanhangers van Domela Nieuwenhuis, die maar al te graag op de ingeslagen weg verder wilden. Ze grepen met beide handen de geboden mogelijkheid aan om hun idealen voort te zetten. De meesten werkten al op de tuin in een van de bestaande kolonies. Een van hen, Nanne Sjoerds de Boer, werd de secretaris van de nieuwe vereniging.

Lees HIER verder

 

 

Het einde

In zijn artikel ‘Binnenlandsche kolonisatie’ (1901) noemt Van Eeden enkele oorzaken van het falen van kolonisatieproefnemingen. Hij baseert zich daarbij op eigen ervaringen, maar ook op studie van zulke organisaties.

 

Ze mislukten doorgaans:

 

  1. Omdat men communistische beginselen wilde invoeren eer de menschen daartoe door een voldoend langdurige opvoeding geschikt waren.
  2. Omdat men niet, terwille van 't bestaan, wilde plooien, maar dweepsch en idealistisch, bleef vasthouden aan 't voorloopig onmogelijke.
  3. Omdat men niet uitsluitend streefde naar een antikapitalistische bestaanswijze, maar te vroeg dacht aan allerlei schoone gevolgen, die eerst mettertijd uit de betere bestaanswijze zullen groeien. (Zooals: zachter zede, vegetariaat, zuivere kunst, broederlijke verdraagzaamheid enz.).
  4. Omdat men niet zorg droeg, de door een betere voortbrengingswijze ontstaanden overvloed behoorlijk te doen wegvloeien, tot uitbreiding der zaak in de wereld, maar dat men de winst onderling ging deelen of opmaken, waardoor gemakzucht ontstond, zonder dat de zaak toenam.
  5. Omdat men niet zich onmiddellijk trachtte te verbinden met andere kolonies, om aldus een groot. stoffelijk machtig organisme te vormen, dat in eigen behoefte voorziet en meer voortbrengt dan het gebruikt.’

 

Het is niet zonder ironie dat ook Walden deze mankementen vertoonde en er tenslotte aan ten onder ging! Een bijzonder aspect van het Walden-dagboek is nu juist dat het getuigenis aflegt van een periode, waarin bovenvermelde dwalingen zich reeds manifesteerden, zo niet dan toch in kiem aanwezig waren.

 

Lees HIER verder

Van Eeden bleef tot het eind van zijn leven op Walden wonen en schrijven.

.

8 mei 1927

.

Tuinieren

In de tuin

.
 

Linken - lees meer over Walden, Van Eeden en Bussum

* Verslag van een bezoek aan Bussum in de zomer van 2009

* Walden in droom en daad - Walden-dagboek en notulen van Frederik van Eeden e.a. 1898-1903

* Spiegelvrienden: 100 jaar Walden

* Spiegelvrienden: Route, op weg naar Walden

 
 
Gastenboek
 
Laatste wijziging op: 08-08-2010 19:56